Mijn overbuurman Joep en ik hebben een tijd lang gesproken over de Indiaan in het gedicht van Naomi Shihab Nye.
In het gedicht wordt verwezen naar de Indiaan:

‘Voor je het gewicht van zachtheid kent
moet je reizen naar waar de indiaan in een witte poncho
dood aan de kant van de weg ligt.
Zie hoe jij het bent.’

Een indringende zin. Wie is de indiaan?

Het verborgen bankje.
Als ik uit de ramen van mijn frans balkon kijk heb ik uitzicht op de Zuidsingel. Een van de eerste dingen waar je oog op valt zijn de twee afvalcontainers beneden aan de straat en het bankje dat er naast staat.
Het bankje staat daar een beetje verborgen, uit het zicht, net om de hoek in de Herenstraat, achter de muren van het klooster.
Niemand weet dat ik vanuit mijn woonkamer een schouwend oog heb op dat bankje.
Van de week bracht ik een afvalzak weg.

Een vriendin van mij is bij me. We zijn onderweg naar een terras in de stad. Op het bankje zitten twee mensen.
Er zit een man, er zit een vrouw en er zit een man op straat geknield en hij leunt voorover tegen de vrouw aan en één van zijn armen ligt op haar been. Tussen de man en de vrouw staat een blik bier op het bankje.
Ik moet vlak langs ze lopen om mijn vuilniszak in de container te kunnen gooien. Ze kijken niet op of om. Ik struikel nog net niet over hun voeten.
De man op zijn knieën lijkt de vrouw van iets te willen overtuigen. Althans dat is mijn indruk. De aanblik is wat onaangenaam.‘Wat wil hij van haar?’ ‘Gebruikt hij haar?’ ‘Is hij een hulpverlener? Nee dan hang je niet zo over iemand heen’.

De vuilniszak is weg, we lopen de Zuidsingel op en mijn vriendin zegt:
‘Zijn ze aan het dealen?’
‘Wat een tafereel he?’, zei ik.
‘Als ik boven had gezeten had ik het waarschijnlijk een tijd bekeken vanuit mijn raam.’ We landen op het terras en al gauw ben ik het voorval vergeten.

Wijn en sigaretten
Later op de avond loop ik voor een boodschap naar de buurtsuper in de stad.
Ik sta bij de kassa in de anderhalve meter rij netjes te wachten achter de streep. Bij de ene kassa staat iemand boodschappen af te rekenen, en bij de andere kassa ook, daar staat een man. Opeens word ik gepasseerd, een vrouw loopt mij voorbij, zo naar de kassa toe.

‘Hee ze dringt voor!’

Misschien merkt ze mij niet op in de rij, omdat ik anderhalve meter afstand houd?  Maar dan zie ik dat ze naast de man gaat staan bij de kassa. Ze spreekt met hem. Dan ineens herken ik haar van het bankje en ik herken de geknielde man.
Hij geeft  haar wat contant geld. Zij staat te zwaaien op haar benen. Haar motoriek is onhandig. ‘Is ze dronken?’
In haar andere hand heeft zij een bakje sushi. Ze houdt de hand met sushi stijfjes naast haar lichaam. De kassière kan de sushi niet zien. Een beetje gespannen kijk ik toe.

De man loopt de winkel uit. Zij buigt zich voorover naar de kassière en ze vraagt iets. Het jonge meisje achter de kassa kan haar niet verstaan. Ze buigt zich nog verder voorover. De kassière geeft haar een plastic tasje.
Dan zie ik dat ze de sushi in haar plastictas probeert te frommelen. Het lukt niet, ze doet zo onhandig. Ze staat nog steeds voor de kassa.
Ik hoor de kassière spreken:

‘Dat is nog niet betaald. Je moet de sushi nog afrekenen.’

Ik hoor haar zeggen:

‘Heeft mijn vriend niet afgerekend?’

‘Nee, de sushi is echt niet betaald, ik kan het bonnetje laten zien.’. De kassière  kijkt een beetje verschrikt maar blijft heel vriendelijk.

Inmiddels is de andere kassa vrij gekomen. Ik zet mijn fles wijn op de toonbank en vraag om een pakje sigaretten.
Ik zie hoe zij haar sushi weer inlevert en ik hoor mijzelf zeggen:

‘Geef de sushi maar aan mij, ik betaal het wel.’

Ik reken de sushi, de sigaretten en de wijn af. Ik draai me om naar haar en geef haar de sushi.

‘Wel zelf opeten he’, zeg ik.

Ze kijkt me aan. Nu zie ik haar pas goed. Een jaar of 30? Haar uiterlijk is best verzorgd, ze is gekleed in het zwart. Misschien zelf licht opgemaakt? Ik weet het niet meer. Haar ogen, die ogen van haar zijn glazig. Ze zegt:

‘dankjewel. Mijn vriend heeft ADHD. Sorry.’

‘Het is goed’, zeg ik, terwijl ik naar buiten loop. Ik voel mij wat opgelaten. Zij ook en ze loopt mee naar buiten, achter mij aan. Ze zegt nogmaals:
‘dankjewel, dankjewel. Sorry, mijn vriend heeft ADHD.
Haar ‘vriend’ is in geen velden of wegen te bekennen. Ik draai me weer om naar haar. Ze spreidt haar armen uit. Ze wil mij een knuffel geven.
Ik aarzel. Ik doe een stap in haar richting.

‘nee, nee corona,’ is alles wat ik zeg.

Ze steekt haar elleboog uit. Ik geef haar een ‘elleboogknuffel’.

‘De sushi wel zelf opeten hoor’ zeg ik weer.

Ik doe een stap achteruit en nog een. ‘Nu ga ik’. Ik steek mijn armen in de lucht bij wijze van groet. Ik zie mij zelf met opgeheven handen staan. In de ene hand een pakje sigaretten en in de andere hand een fles wijn.
Ik voel mij droevig en opgelaten.


Terwijl ik achteruit loop begrijp ik het ineens. ‘De indiaan.’ ‘Ik heb de indiaan ontmoet’ en ik hoor een stem zeggen:

‘Zie hoe jij het bent.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *