Er was eens schoonheid van een vallend blad.

Het dwarrelde neer, eerst nog stevig, vol levenssap,

dan fragiel, teer, langzaam vergaand, steeds transparanter:

doorschijnende schoonheid, zo bekoorlijk.

Elk seizoen heeft zo zijn schatten.

Heel onbehoorlijk,

perst ze rijkdom tussen twee latten.

Zie elfenvleugeltjes, uit een roos geklapt.

Bladeren vallen het hele jaar door en verhalen

levendig van sterven en vruchtbare grond.

Zo tijloos is de herfst.

Nu is het sprookje rond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *